herinnering hand
Start hand 2000 hand1 2003 hand2 2003 hand3 2003 hand4 2003

 

               

horizontal rule

Edmond Jabès

Het geheugen en de hand

 

 

Eens was er een hand,

die ons tot leven leidde.

 

Zal er eens een hand zijn,

die ons naar de dood leidt?

 

 

 

Met beide handen

 

I

 

 

op leven beroofd heeft, hebben minstens

het recht op een gedachte.

 

         …een gedachte, die hun recht zou

zijn.

 

 

De hele ochtend vindt plaats in twee handen.

Handen, die slepen met de dag.

 

De nacht, misschien, is uitputting van onze

handen.

Niettemin mag men as en schaduw

niet verwisselen; - maar wie weet?

Is de Nacht niet, tegelijk, voorspel en

einddoel van het vuur?

 

 

Je hebt geen handen meer. Je slaapt.

   

Men sterft eigenhandig

 

 (men sterft zonder handen)

 

II

 

Het woord scheidt de hand van de hand,

die het vormt.

                         

                        Het boek heeft genoeg aan een hand

 

           

            …de hand, die de hand vervangen heeft en

waarvan het woord het bevatten zegt.

   

 

 

            Veel lawaai in het verdwijnen van het

lawaai.

            Zwijgen voor niets.

   

            De hand hoort alleen het zwijgen;

hoort alleen de hand.

   

IV

                                     

            Het geliefkoosde lichaam laat de hand

opbloeien. De vuist mist de liefkozing; mist ook

de veer.

-         de veer maakt de hand los.

 

De hand opent zich voor het woord, opent

zich voor de afstand.

 

  V

   

            De veer is de dolk. De hand laat

bloeden;

            bloedt.

   

            Schrijft men met het bloed van het woord, dat

met het eigen vermengd is?

 

VI

   

            Er is een tijd voor de hand, zoals er een

tijd is voor de liefde – of de dood.

   

(De hand geeft de hand)

   

VII

  (De hand is toekomst.)

 

VIII

   

De om haar honger geklauwde hand.

 

   

zware last.

Alleen al het boek.

  

X

 

TUNNEL

 

(De onzichtbare afstand)

 XI

 

 

Het al doorkruist de hand, val

in de afgrond.

 

 

De Horizonten blijft de lucht

onttrokken, de extremen.

 

XII

Eenzame nacht.

 

 

(Het met sterren bezaaide boek bezwijkt.)

XIII

 

 

Alle lichten waren lichten van stof

 

 

…alle waren zij opnieuw van stof tot licht

geworden.

   

HAND ONTMASKERT

   

I

 

Een nacht, om een andere

zon op te brengen.

 

 

II

 

  Of de blinde

het oorspronkelijke genoegen,

helemaal nacht te zijn, kent?

   

III

   

“Een zon is in ons – zei een wijze:

De ochtend kent ze niet, en toch heeft zij

uit mijn leven een voortdurende ochtend

gemaakt.”

   

IV

   

            “Er bestaat – zei de wijze ook – geen

transparantie, die niet een keer ontmaskerd

zou zijn geworden.”

   

MIJN HAND, HALFOPEN

   

Mijn hand,

halfopen,

de moeheid ongenegen.

Tekens en hun klanken

proberen binnen te dringen

in de smalle ruimte,

die de veer beloofd is.

Spoedig zal de ademhaling

stoppen.

De hand op het blad

wordt vlak.

Overvraagd.

 

 

( “Wat doet het ertoe, of van

rechts naar links of van links

naar rechts.

De hand schrijft altijd alleen in

de schroeiende richting van het leven

naar de dood, van de ochtendschemering

naar de avondschemering”, zei hij.

 

“De dag en de nacht zijn de

beiden polen van een hand”, zei

hij ook.)

 

STEEDS DIT BEELD

   

Steeds dit beeld

van de hand en van het voorhoofd,

van het schrift, dat

aan het denken terugviel.

 

Als de vogel in het nest,

zo rust mijnhoofd in mijn hand.

Te prijzen bleef de boom,

als niet overal woestijn zou zijn.

 

Onsterfelijk voor de dood.

Het zand is ons

onzinnig erfdeel.

 

Kon toch deze hand,

waarin de geest zich vlijt,

vol zaad zijn.

 

Morgen is een andere termijn.

 

Wisten jullie, dat onze nagels

eens tranen waren?

We schrammen de muren met ons wenen,

dat zich heeft verhard als onze kinderlijke harten.

 

Iedere redding komt te laat,

als het bloed de wereld overstroomd heeft.

Ons resten slechts de armen,

om zwemmend de dood in te halen.

 

(Aan gene zijde van de zee, over de bergkammen

een piepkleine niet geïdentificeerde planeet,

handen verenigd, ronde handen overvol,

aan de zwaartekracht ontsnapt.)

 

Wanneer wij het geheugen terugontvangen –

zal dan de liefde eindelijk haar leeftijd kennen?

 

Geluk van een oud gedeeld geheim.

Aan het al klampt zich nog

de hoop van het eerste woord;

aan de hand het verfrommelde blad.

 

Tijd is er enkel voor het ontwaken.


II

Het bloed wast niet het bloed

 

 

 

I

 

  Zacht de hand zelf aan de wond,

buiten het boek.

 

 

Elke zijde haar hand;

elke leeftijd de zijne;

 

maar ook

iemand zijn schaduw:

schaduw van mijn hand.

 

II

 

  Jouw hand op mijn hand,

Lauw de dichtheid van de schaduw.

 

 

III

 

Zo veel tranen in een hand,

om de dood te drenken.

 

 

 

   

Stele.

Een hand reikt uit het niets,

steekt uit boven onze graven.

 

 

Reinheid van de tranen.

Onreinheid van het lijk.

 

 V

 

Handen tegen handen.

Het hele leven – o dit bloed! –

drupt uit een open hand.

   

VI

 

Hand met gespreide vingers,

zon van onze doden.

 

Vandaag is de hemel

blauwer dan op de eerste ochtend.

   

VII

 

Open, wijd, je hand.

Zulke openheid is groet.

 

De hemel is nauwelijks hoger dan de aarde.

Wij bewegen ons in de leegte.

Bij elke pas vellen wij een muur.

   

HET WATER

 

Vooraf is er het water.

Achteraf is er het water;

het duurt, het duurt voort.

 

- Het water van het meer?

- Het water van de rivier?

- Het water van de zee?

 

Nooit water op water.

Nooit water voor water;

water echter, waar er geen water meer is;

water echter in het dode geheugen van het water.

 

Leven in de levende dood

tussen de herinnering aan water en het

vergeten ervan,

tussen

de dorst en de dorst.

 

Het water treedt binnen:

ceremonieel.

Het water grijpt om zich heen.

het vloeit:

vruchtbaarheid.

 

Steeds water voor water.

Steeds water op water.

Overvloed.

 

- De woestijn was mijn land.

De woestijn is mijn weg,

mijn dwalen.

 

 

Steeds tussen twee horizonten:

tussen de horizon en

de roep van de horizon.

Hiernamaalsgrens.

 

Het zand glinstert als water

in onstilbare dorst.

 

Kwelling, door de nacht tot rust gebracht.

 

Onze schreden besprenkelen de dorst.

Afwezigheid.

 

- het water van het meer?

- Het water van de rivier?

- Het water van de zee?

 

Spoedig komt de regen,

om de zielen van de doden te wassen.

 

 

Laat de afgebrande schaduwen voorbij,

De ochtendvroegten met de geofferde bomen.

Walm. Walm.

 

(Schreeuw eens als vruchten,

als bloesem,

als bladeren

en hun lange uitgestrekte armen.)

 

Elke arm zijn horizon.

Elke bloesem, elke vrucht

haar jaargetijde.

Het blad zijn neiging.

 

De hemel kijkt neer op de aarde.

Schrijven betekent, de woorden uitlopen laten,

om de bodem te bevloeien.

Iedere zin bestaat uit regen

en uit licht.

   

Ik schrijf de woestijn.

Zo sterk is het licht,

dat de regen zich heeft vervluchtigd.

 

Er blijft alleen het zand,

waar ik wandel.  

 

 

HET GAT

 

            …En wat is een punt, als

            niet het duizeligmakende gat

            van ieder doel?

- Zichtbaar de ingang.

 

 

(Hij zei, de punt is een in zich

zelf verliefde hand geweest,

rondgemaakt en geslepen door de tijd,

voordat zij voor altijd verstarde.

 

…De punt was slechts een heel

kleine rode vlek op de weg;

die evenwel op elke ochtend, dankzij

zijn vuurgloed, met de zon

rivaliseerde.)

 

 

I

 

Elke grenslijn haar punt.

 

II

“Een fonkelende punt verwees ons op

de dood, als was hij onze hemel”, zei hij.

Grenslijn in de onbegrensdheid van ieder doel.

 

III

De leegte, de leegte steeds aan deze kant.

 

   

Stele, I

 

 

Voor de ochtend alle diamanten.

De nacht is haar eigendom onteigend.

De armoede zou haar gewin zijn.

 

Alleen de schaduw spoort de weg.

 

O volheid! Een ster rust

in de ogen van onze doden.

 

 

 

 

(En hij sprak – maar tot wie wendde hij zich?

“op jullie uitgezette lichamen,

o mijn broeders, was het licht niets anders

dan tot rood gloeien gebracht ijzer.”)

 

(En zij sprak voor hem:

“er was een heldere hemel

en als grens de hand.

Geweld, blind geweld.”)

 

“Op welke natijd durfde zulke liefde

zich beroemen?

En naar welke laatsttijd zich schikken in

zoveel as? “zei de passant.

 

 

               Stele, III

  

Aurora, wat voor een vreemde stem

Waagde zich heen, mengde zich in?

De kindertijd is zonder bekentenis.

 

 

 

Omgestoten stele

   

“zwartheid en helderheid van de wereld

hebben, als oorsprong, de zelfde

moord”, zei hij.

 

Sporende diepte,

wiens gegijzelde de zon is.

   

 

Uitgegraven stele

 

Voor niets graaf jij de hand in de rozige

nacht van je lichaam.

Meisje, meisje, welke van de wolken

Maakt het je duidelijk?

Het bloed wast niet het bloed.

 

 

horizontal rule

meer teksten Jabès

horizontal rule

 

               

canandanann  23-09-06

vonk3.jpg (33683 bytes)