|
|
|
|
Edmond
Jabès
Het
geheugen en de hand
Eens was
er een hand, die ons
tot leven leidde. Zal er
eens een hand zijn, die ons
naar de dood leidt? Met beide handen
I
op
leven beroofd heeft, hebben minstens het
recht op een gedachte.
…een gedachte, die hun recht zou zijn. De hele ochtend vindt plaats in twee handen. Handen, die slepen met de dag. De
nacht, misschien, is uitputting van onze handen. Niettemin
mag men as en schaduw niet verwisselen; - maar wie weet? Is
de Nacht niet, tegelijk, voorspel en einddoel van het vuur? Je
hebt geen handen meer. Je slaapt. Men
sterft eigenhandig (men
sterft zonder handen) II
Het
woord scheidt de hand van de hand, die
het vormt.
Het boek heeft genoeg aan een hand
…de hand, die de hand vervangen heeft en waarvan
het woord het bevatten zegt.
Veel lawaai in het verdwijnen van het lawaai.
Zwijgen voor niets.
De hand hoort alleen het zwijgen; hoort alleen de hand. IV
Het geliefkoosde lichaam laat de hand opbloeien. De vuist mist de liefkozing; mist ook de veer. -
de veer maakt
de hand los. De
hand opent zich voor het woord, opent zich voor de afstand. V
De veer is de dolk. De hand laat bloeden;
bloedt.
Schrijft men met het bloed van het woord, dat met
het eigen vermengd is? VI
Er is een tijd voor de hand, zoals er een tijd
is voor de liefde – of de dood. (De hand geeft de hand) VII
VIII
De om
haar honger geklauwde hand. zware
last. Alleen al het boek. X
TUNNEL
(De
onzichtbare afstand) XI
Het
al doorkruist de hand, val in de afgrond. De Horizonten blijft de lucht onttrokken, de extremen. XII
Eenzame
nacht. (Het met
sterren bezaaide boek bezwijkt.) XIII
Alle
lichten waren lichten van stof …alle
waren zij opnieuw van stof tot licht geworden. HAND
ONTMASKERT
I
Een
nacht, om een andere zon
op te brengen. II
het
oorspronkelijke genoegen, helemaal nacht te zijn, kent? III
“Een
zon is in ons – zei een wijze: De ochtend kent ze niet, en toch heeft zij uit mijn leven een voortdurende ochtend gemaakt.” IV
“Er bestaat – zei de wijze ook – geen transparantie, die niet een keer ontmaskerd zou zijn geworden.” MIJN
HAND, HALFOPEN
Mijn
hand, halfopen, de
moeheid ongenegen. Tekens
en hun klanken proberen
binnen te dringen in de
smalle ruimte, die de
veer beloofd is. Spoedig
zal de ademhaling stoppen. De
hand op het blad wordt
vlak. Overvraagd. (
“Wat doet het ertoe, of van rechts
naar links of van links naar
rechts. De
hand schrijft altijd alleen in de
schroeiende richting van het leven naar
de dood, van de ochtendschemering naar
de avondschemering”, zei hij. “De
dag en de nacht zijn de beiden
polen van een hand”, zei hij
ook.) STEEDS
DIT BEELD
Steeds
dit beeld van de
hand en van het voorhoofd, van
het schrift, dat aan
het denken terugviel. Als de
vogel in het nest, zo
rust mijnhoofd in mijn hand. Te
prijzen bleef de boom, als
niet overal woestijn zou zijn. Onsterfelijk
voor de dood. Het
zand is ons onzinnig
erfdeel. Kon
toch deze hand, waarin
de geest zich vlijt, vol
zaad zijn. Morgen
is een andere termijn. Wisten
jullie, dat onze nagels eens
tranen waren? We
schrammen de muren met ons wenen, dat
zich heeft verhard als onze kinderlijke harten. Iedere
redding komt te laat, als
het bloed de wereld overstroomd heeft. Ons
resten slechts de armen, om
zwemmend de dood in te halen. (Aan
gene zijde van de zee, over de bergkammen een
piepkleine niet geïdentificeerde planeet, handen
verenigd, ronde handen overvol, aan
de zwaartekracht ontsnapt.) Wanneer
wij het geheugen terugontvangen – zal
dan de liefde eindelijk haar leeftijd kennen? Geluk
van een oud gedeeld geheim. Aan
het al klampt zich nog de
hoop van het eerste woord; aan de
hand het verfrommelde blad. Tijd
is er enkel voor het ontwaken.
II
Het bloed wast niet het bloed
I
buiten het boek. Elke zijde haar hand; elke leeftijd de zijne; maar ook iemand zijn schaduw: schaduw van mijn hand. II
Lauw
de dichtheid van de schaduw. III
Zo
veel tranen in een hand, om de
dood te drenken. Stele. Een hand reikt uit het niets, steekt uit boven onze graven. Reinheid van de tranen. Onreinheid van het lijk.
|
|
|
canandanann 23-09-06 |